Hoe lang duurt de puberteit bij een hond?
Bij de meeste honden begint de puberteit ergens tussen de zes en twaalf maanden, en is de onrustigste periode rond anderhalf jaar voorbij. Bij grote, langzaam groeiende rassen loopt het soms door tot een jaar of twee. Een vaste einddatum is er niet, en het verschilt per hond. Hieronder staat wat er in die periode verandert, wat je eraan merkt en wat in de praktijk helpt om die maanden rustiger door te komen.

Wanneer het ongeveer begint
Als algemene richtlijn geldt dat de puberteit bij honden ergens tussen de zes en twaalf maanden begint. Het Riney Canine Health Center van Cornell University houdt ongeveer zes maanden aan als begin, de Britse dierenartsorganisatie PDSA acht tot twaalf maanden; beide zeggen erbij dat grote rassen later volwassen worden dan kleine. Het is geen schakelaar die omgaat: het gedrag verandert geleidelijk, en het valt vaak pas op als iets dat eerder vanzelf ging opeens moeite kost.
Bij teven wordt het begin van deze periode vaak gekoppeld aan de eerste loopsheid, bij reuen aan het volwassen worden in de maanden daarna. Wanneer dat bij jouw hond precies gebeurt, kan je dierenarts het beste inschatten; die kent het ras en de groei van je eigen hond.
Hoe lang het duurt
De onrustigste maanden vallen bij veel honden in de tweede helft van het eerste jaar. Cornell houdt aan dat deze periode meestal rond achttien maanden eindigt, en bij sommige rassen pas rond twee jaar. Volwassen gedrag komt daarna nog verder op gang; de PDSA schrijft dat honden pas rond hun derde jaar sociaal volwassen zijn.
Belangrijker dan het aantal maanden is het verloop. De meeste eigenaren merken dat het met ups en downs gaat: een paar goede weken, dan een week waarin het weer tegenvalt. Dat hoort erbij en betekent niet dat het werk voor niets was.
Wat je in die periode merkt
De dingen die eigenaren het vaakst noemen zijn: slechter terugkomen, weer trekken aan de lijn, meer gericht zijn op andere honden, en soms opnieuw schrikken van dingen die eerder gewoon waren. Ook het kauwen kan in deze maanden weer toenemen.
Trainers beschrijven daarnaast vaak een periode waarin jonge honden opnieuw schrikachtig kunnen zijn. Hoe hard dat is vastgelegd valt te bezien, maar het komt overeen met wat veel eigenaren melden: iets dat eerder gewoon was, is een paar weken lang eng. Wat daarbij helpt is afstand houden en niets afdwingen.
Ook valt op dat jonge honden in deze fase sneller overprikkeld raken. Wat je dan ziet lijkt op te veel energie, maar is vaak het omgekeerde. Hoe je dat herkent en wat je eraan doet staat in een overprikkelde pup kalmeren. Gaat het vooral om slechter luisteren, dan is mijn pup luistert ineens niet meer de praktische kant van dit verhaal.
Waarom kauwen en snuffelen in deze fase helpen
Kauwen en snuffelen zijn twee dingen die honden uit zichzelf doen en waar de meeste honden rustig van worden. Dat maakt ze in deze periode handig: je geeft je hond iets te doen zonder er een oefening van te maken.
Snuffelen kan gewoon buiten, door je hond wat langer de tijd te geven op een saai stuk gras. Binnen werkt een snuffelmat goed op momenten waarop het in huis te druk wordt, bijvoorbeeld aan het eind van de middag.
Onze keuze
Snoots snuffelmat met 10 functies, 45 bij 65 cm
Waarom wij deze aanraden: brokjes zoeken tussen de flappen kost tijd en aandacht. In een periode waarin een extra rondje lopen vaak niet helpt, geeft dat soort bezigheid meestal meer rust.
Geschikt voor: honden van elke leeftijd, en in deze fase vooral op het moment van de dag waarop het thuis onrustig wordt.
Waar je op let: leg de mat op een plek waar die niet wegschuift, en ruim de mat op zodra je hond eraan gaat trekken in plaats van snuffelen. Vul hem met een deel van de dagelijkse portie brok.
Als je via deze link iets koopt kunnen wij een commissie ontvangen. Jij betaalt daardoor niet meer.
Kauwen doe je met materiaal dat past bij de leeftijd en het gebit van je hond. Laat je hond er niet alleen mee liggen als je nog niet weet hoe hard er gekauwd wordt, en haal stukken weg die klein genoeg worden om door te slikken. Twijfel je of iets veilig is voor jouw hond, vraag het dan aan je dierenarts.
Wat je hond niet kwijtraakt
Het voelt vaak alsof alles wat je hebt opgebouwd verdwenen is. Dat is zelden wat er gebeurt. Wat je hond heeft geleerd is er nog, maar de omgeving weegt in deze maanden zwaarder, en daardoor komt het er lastiger uit.
Daarom werkt teruggaan naar makkelijkere omstandigheden beter dan strenger worden. Vraag hetzelfde als eerst, maar op een rustiger plek en met iets waar je hond het op dat moment voor wil doen. Als dat weer gaat, maak je het stap voor stap moeilijker.
Vragen die bij de dierenarts horen
Rond deze leeftijd komen er vragen die niet over gedrag gaan maar over het lichaam: wel of niet castreren of steriliseren, wanneer dat kan, hoeveel beweging verantwoord is en wanneer je overstapt op voer voor volwassen honden. Daar zijn verschillende opvattingen over, en het antwoord hangt af van ras, groei en gezondheid. Dat is een gesprek met je eigen dierenarts, niet iets om van een website over te nemen.
Wanneer het meer is dan een fase
Een paar dingen horen niet bij een periode die vanzelf overgaat: grommen of happen naar mensen in huis, angst die niet minder wordt of juist erger, en gedrag naar andere honden waar je zelf geen grip meer op hebt. Ook een hond die plotseling anders reageert zonder duidelijke aanleiding verdient eerst een controle bij de dierenarts.
In die gevallen is hulp geen laatste redmiddel maar de snelste weg. Een gedragsdeskundige die met beloning werkt, kan in een paar afspraken vaak veel verschil maken.
Bronnen voor de leeftijden in dit artikel: Riney Canine Health Center, Cornell University, en de PDSA.